13.3.13

Stadsdichter (1)


Veel mensen vragen me hoe het 'nou' is om stadsdichter te zijn. Het antwoord verschilt per persoon, locatie en stemming. Een overzicht:
- Een geweldige eer. Het is goed te weten dat er steeds mensen op je werk wachten.
- Goed. Hoe is het met jou?
- Niet zo heel anders eigenlijk. Ik doe wat ik doe, maar nu voor een stad.
- Vreselijk. Het is beangstigend te weten dat er steeds mensen op je werk wachten.
- Nog een biertje?


Nadat ik hersteld was van de feestelijke avond waarop bekend werd gemaakt dat ik in 2013 en 2014 stadsdichter van Zutphen mag zijn, ben ik toch maar aan het werk gegaan. Ja.

Marco Mout daagde me uit de eerste stadsdichter te zijn die Twittergedichten publiceert. Ik neem die uitdaging graag aan (hashtag #tgz). Verder is dagblad De Stentor, editie Zutphen zo vriendelijk een speciaal hoekje aan mijn stadsgedichten te wijden. Daar mijn complete inzending voor de stadsdichterswedstrijd. Ook de Zutphense Koerier doet lekker mee: mijn eerste stiftgedicht (zie onder, klik voor groot) werd daarin onlangs gepubliceerd. Volg me op Facebook voor deze en andere plannen die ik voor de komende twee jaar heb. Zo verschijnt in de Boekenweek mijn eerste ansichtkaart met een gedicht, verfraaid door een kunstwerk van Wiets Stavast, vormgegeven door de immer flexibele Erik Besaris en gedrukt door Wöhrmann Print Service. Mijn tweede optreden als stadsdichter was tijdens het straatartiestenfestival Zutphen (gedicht vanaf 8.30). Check mijn agenda (rechts) voor komende optredens.

Tot zover. Tot morgen!



1.2.13

WELKOM


(credo en buiging naar eerste drie stadsdichters van Zutphen: Hanz Mirck, Ton Luijten en Eke Mannink)

Ik zie je worstelen met wegen, op de kaart
markeer je elke stap om te bewijzen dat je
hier bent. Maar je bent pas echt hier als je
spoorzoeker durft te worden. Wees gerust,
ik zal doen alsof de stad van mij is, je wijzen
op de stof waarmee jij je eigen stad kan maken.

De stad die je verliet zal ik je laten horen in
de echo's die door de stegen klinken, laten
voelen in de trillingen van het stuur als je
over de markt rijdt, laten zien in het licht
dat door het water schatert, laten ruiken in
de wind die komt aanwaaien over de rivier.

Maar ik moet je waarschuwen: elke dag hier is
zo'n tocht als deze en aan het eind van elke dag
zal er een stukje van de stad over blijven,
dat is wat torens zoeken bij elkaar: uitzicht.

Ik zal doen alsof de stad van mij is, net zolang
tot je voelt dat deze wind langs vele torens heeft
gestreken, ziet dat dit licht teveel verandert om
aan te kunnen wijzen, je je herinnert dat elke markt
zijn eigen gaten heeft en hoort dat geluiden zich
niet aan grenzen houden. Dan weet je: deze stad
is alle steden waar je hiervoor bent geweest.

20.12.12

LAATSTE DAG


(gedicht voor Dit is de Dag Radio 1, over oa. de apocalyps, crisis en rauweter Tom)

Vandaag plant ik een boom.

Laat de deskundologen zich maar verliezen
in een hype rauwer dan de vorige,
cabaretiers vluchten in hun grappen,
televisiemakers graven in onze leiders,
psychologen wroeten in jonge levens,
economen slepen met hun visies,
coaches energie verspillen in trainingen.
Ik plant vandaag een boom.

Maar in de boomgaard aangekomen zie ik
een trainer vruchtbare oefeningen geven
een psycholoog de bodem geschikt maken,
een documentairemaker bij een diep gat,
een comedian een stam begieten met gelach
en een econoom ook een boom opzetten.

Vandaag planten we een boom,
en als het mag, morgen weer een.

3.12.12

Kopwit wint Vriendenprijs musea Zutphen


Poëzienetwerk Kopwit won onlangs de Vriendenprijs van de Vrienden van de Zutphense Musea. Hieronder de tekst die initiatiefnemer Simon Dermijn uitsprak als dankwoord.


Dames heren,

Allereerst danken wij de Vrienden van de Zutphense Musea en de jury van de Vriendenprijs voor deze bijzondere toekenning en waardering. Ik doe dat namens de dichters die aan de expositie in het Henriëtte Polakmuseum hebben meegewerkt en namens de dichters die deel uitmaken van het Kopwit-poëzienetwerk.

‘Mijn minnaar en ik’ was een bijzondere expositie van de twee beeldend kunstenaars, Natasja Bennink en Onno Broeksma, geïnspireerd door een bijzonder gedicht van Rutger Kopland.

Rutger Kopland zei ooit in een interview:
,,De dichter moet zich volgens mij bezighouden met de vanzelfsprekendheid in de dagelijkse realiteit. Poëzie moet die vanzelfsprekendheid doorbreken, de dingen als nieuw laten zien zodat de schellen je van de ogen zullen vallen."

Kijkt en ziet een dichter anders dan mensen die geen gedichten schrijven? Kunnen zij de schellen van de ogen doen vallen? Kopwit werd vorig jaar uitgenodigd om op basis van de expositie gedichten te schrijven. Vijf dichters deden hieraan mee. Schreven gedichten en droegen dat voor tijdens de expositie. 

Kopwit stelt zich tot op de dag van vandaag als doel mensen uit te nodigen op een andere manier naar de werkelijkheid te kijken, door poëzie te lezen, voor te dragen, ernaar te luisteren of door zelf poëzie te schrijven. Dit, om mensen te laten ervaren dat poëzie ‘niet ergens toe moet dienen’ of ‘iets op moet leveren’. ,,Poëzie hoort niet tot het rijk van het hebben maar tot het rijk van het zijn", zoals de Vlaamse dichter Herman de Coninck het ooit uitdrukte.

Wij vanuit Kopwit zullen dichters blijven aanmoedigen en ondersteunen bij het schrijven, het lezen en voordragen van poëzie. Deze bijzondere prijs van de Vrienden van de Zutphense Musea is een belangrijke steun bij het realiseren van deze aanpak.

Wij richten ons echter niet alleen tot dichters maar ook tot andere cultuurdragers waarmee Kopwit de afgelopen jaren heeft samen gewerkt zoals beeldend kunstenaars, fotografen, vormgevers en anderen. Wij willen daarom ook van deze gelegenheid gebruik maken om de twee andere genomineerden voor de Vriendenprijs 2012 uit te nodigen om binnenkort samen met ons eens van gedachten te wisselen welke gezamenlijke initiatieven mogelijk zijn. 

Dames en heren, ik wil eindigen met een citaat van Tim Pardijs, mededichter en –organisator van Kopwit-poëzieactiviteiten in Zutphen. In de zo juist verschenen uitgave Kopwit, van huiskamer tot netwerk, schetst hij de uitgangspunten, doelstellingen en aanpak voor de toekomst: ,,Literatuur een plek geven in de maatschappij is het doel van de Kopwit-poëzieavonden in café Pierrot in Zutphen. Dit werkt op drie manieren:
-          Vier keer per jaar een laagdrempelige avond met muziek en voordrachten
-          Zutphen op de kaart zetten als cultureel actieve gemeente en Zutphense dichters stimuleren naar buiten te treden, ook in de rest van de provincie
-          Initiatieven in de provincie uitnodigen zich in Zutphen te presenteren.”

De ons toegekende Vriendenprijs is een waardering voor onze activiteiten en een ondersteuning en stimulans om op deze weg door te gaan. Wij danken de vijf dichters die hebben deel genomen aan de expositie en daarnaast alle dichters die de Kopwit-initiatieven hebben mogelijk gemaakt en daarmee het netwerk vorm hebben gegeven.


Wij danken u,



 Simon Dermijn
Tim Pardijs

29.10.12

BERNLEF

(bij het overlijden van Bernlef)

1.
Ik meen dat ik Bernlef koos uit de lijst die de leraar Nederlands me gaf vanwege het mooie woordbeeld van zijn naam: de herhaling van de letter e, de combinatie van de letters b aan het begin, n in het midden en f aan het eind. Ik las Publiek geheim, een spannend boek over journalisten en schrijvers tijdens de dooi in de communistische tijd in Hongarije. Tijdens een wandeling observeert de hoofdpersoon een vogel die langzaam een worm verorbert, als ik het me goed herinner. Ik vroeg aan mijn leraar Nederlands waarom de auteur in een spannende thriller, dit ineens opschrijft. Zijn antwoord was als het goed is tweeledig, en leerde me veel. Eerst zegt hij: ik weet het niet. Later voegt hij eraan toe: misschien om iets te zeggen over hoe de hoofdpersoon zich voelt.

2.
Elke bundel die hij schreef, moest een vervanging zijn van de vorige, las ik volgens mij ergens. De bundel die me het meest is bijgebleven is ook een vroeg werk, De stoel, waarin Bernlef alle mogelijk vormen van de stoel in taal verkent. Dit doet hij door eigen gedachten op te schrijven, en door uitspraken van andere auteurs aan te halen. Uit mijn hoofd zo’n verkenning: ‘Een stoel zonder vier poten, niet om op te zitten, maar om iets op te zetten.’

3.
Het moet ongeveer drie jaar geleden zijn geweest toen hij me aankeek met zijn grote vriendelijke ogen, en me begroette met ‘hoi’, toen ik hem in de pauze van een lezing in de Zutphense bibliotheek mijn nieuwe Hersenschimmen toeschoof. Ik schreef daar een paar dagen later over op mijn weblog: ‘Ik weet niet goed wat ik moet zeggen tegen de man wiens pseudoniem me als tiener al fascineerde, wiens spannende Publiek geheim me meer nog dan Hersenschimmen de literaire wereld in zoog en wiens poëzie spijkers op mijn koppen slaat. Ik voel me een bakvis, en zeg dat het nogal rustig is aan zijn signeertafeltje. Hij haalt zijn schouders op en doet met me mee aan het gesprekje. Als hij me mijn Hersenschimmen, nu met krabbel, teruggeeft wens ik hem nog een fijne avond. Ik probeer het niet als het cliché te laten klinken.’ Wat lees ik eigenlijk, in zijn krabbel?


4.
‘Ik ben de enige overlevende in mijn taal.’ Uit Hersenschimmen. Vorige week op reis herlezen.

5.
‘Hoe ouder ik word, hoe minder ik geloof in het substantiële van herinneringen. Zijn het gevoelens? Zijn het beelden? Ze hebben in ieder geval een uiterst breekbaar karakter. Waarom herinneren we het een, en vergeten we het ander?’ Citaat opgetekend uit het interview in de bibliotheek in Zutphen.