3.12.12

Kopwit wint Vriendenprijs musea Zutphen


Poëzienetwerk Kopwit won onlangs de Vriendenprijs van de Vrienden van de Zutphense Musea. Hieronder de tekst die initiatiefnemer Simon Dermijn uitsprak als dankwoord.


Dames heren,

Allereerst danken wij de Vrienden van de Zutphense Musea en de jury van de Vriendenprijs voor deze bijzondere toekenning en waardering. Ik doe dat namens de dichters die aan de expositie in het Henriëtte Polakmuseum hebben meegewerkt en namens de dichters die deel uitmaken van het Kopwit-poëzienetwerk.

‘Mijn minnaar en ik’ was een bijzondere expositie van de twee beeldend kunstenaars, Natasja Bennink en Onno Broeksma, geïnspireerd door een bijzonder gedicht van Rutger Kopland.

Rutger Kopland zei ooit in een interview:
,,De dichter moet zich volgens mij bezighouden met de vanzelfsprekendheid in de dagelijkse realiteit. Poëzie moet die vanzelfsprekendheid doorbreken, de dingen als nieuw laten zien zodat de schellen je van de ogen zullen vallen."

Kijkt en ziet een dichter anders dan mensen die geen gedichten schrijven? Kunnen zij de schellen van de ogen doen vallen? Kopwit werd vorig jaar uitgenodigd om op basis van de expositie gedichten te schrijven. Vijf dichters deden hieraan mee. Schreven gedichten en droegen dat voor tijdens de expositie. 

Kopwit stelt zich tot op de dag van vandaag als doel mensen uit te nodigen op een andere manier naar de werkelijkheid te kijken, door poëzie te lezen, voor te dragen, ernaar te luisteren of door zelf poëzie te schrijven. Dit, om mensen te laten ervaren dat poëzie ‘niet ergens toe moet dienen’ of ‘iets op moet leveren’. ,,Poëzie hoort niet tot het rijk van het hebben maar tot het rijk van het zijn", zoals de Vlaamse dichter Herman de Coninck het ooit uitdrukte.

Wij vanuit Kopwit zullen dichters blijven aanmoedigen en ondersteunen bij het schrijven, het lezen en voordragen van poëzie. Deze bijzondere prijs van de Vrienden van de Zutphense Musea is een belangrijke steun bij het realiseren van deze aanpak.

Wij richten ons echter niet alleen tot dichters maar ook tot andere cultuurdragers waarmee Kopwit de afgelopen jaren heeft samen gewerkt zoals beeldend kunstenaars, fotografen, vormgevers en anderen. Wij willen daarom ook van deze gelegenheid gebruik maken om de twee andere genomineerden voor de Vriendenprijs 2012 uit te nodigen om binnenkort samen met ons eens van gedachten te wisselen welke gezamenlijke initiatieven mogelijk zijn. 

Dames en heren, ik wil eindigen met een citaat van Tim Pardijs, mededichter en –organisator van Kopwit-poëzieactiviteiten in Zutphen. In de zo juist verschenen uitgave Kopwit, van huiskamer tot netwerk, schetst hij de uitgangspunten, doelstellingen en aanpak voor de toekomst: ,,Literatuur een plek geven in de maatschappij is het doel van de Kopwit-poëzieavonden in café Pierrot in Zutphen. Dit werkt op drie manieren:
-          Vier keer per jaar een laagdrempelige avond met muziek en voordrachten
-          Zutphen op de kaart zetten als cultureel actieve gemeente en Zutphense dichters stimuleren naar buiten te treden, ook in de rest van de provincie
-          Initiatieven in de provincie uitnodigen zich in Zutphen te presenteren.”

De ons toegekende Vriendenprijs is een waardering voor onze activiteiten en een ondersteuning en stimulans om op deze weg door te gaan. Wij danken de vijf dichters die hebben deel genomen aan de expositie en daarnaast alle dichters die de Kopwit-initiatieven hebben mogelijk gemaakt en daarmee het netwerk vorm hebben gegeven.


Wij danken u,



 Simon Dermijn
Tim Pardijs

29.10.12

BERNLEF

(bij het overlijden van Bernlef)

1.
Ik meen dat ik Bernlef koos uit de lijst die de leraar Nederlands me gaf vanwege het mooie woordbeeld van zijn naam: de herhaling van de letter e, de combinatie van de letters b aan het begin, n in het midden en f aan het eind. Ik las Publiek geheim, een spannend boek over journalisten en schrijvers tijdens de dooi in de communistische tijd in Hongarije. Tijdens een wandeling observeert de hoofdpersoon een vogel die langzaam een worm verorbert, als ik het me goed herinner. Ik vroeg aan mijn leraar Nederlands waarom de auteur in een spannende thriller, dit ineens opschrijft. Zijn antwoord was als het goed is tweeledig, en leerde me veel. Eerst zegt hij: ik weet het niet. Later voegt hij eraan toe: misschien om iets te zeggen over hoe de hoofdpersoon zich voelt.

2.
Elke bundel die hij schreef, moest een vervanging zijn van de vorige, las ik volgens mij ergens. De bundel die me het meest is bijgebleven is ook een vroeg werk, De stoel, waarin Bernlef alle mogelijk vormen van de stoel in taal verkent. Dit doet hij door eigen gedachten op te schrijven, en door uitspraken van andere auteurs aan te halen. Uit mijn hoofd zo’n verkenning: ‘Een stoel zonder vier poten, niet om op te zitten, maar om iets op te zetten.’

3.
Het moet ongeveer drie jaar geleden zijn geweest toen hij me aankeek met zijn grote vriendelijke ogen, en me begroette met ‘hoi’, toen ik hem in de pauze van een lezing in de Zutphense bibliotheek mijn nieuwe Hersenschimmen toeschoof. Ik schreef daar een paar dagen later over op mijn weblog: ‘Ik weet niet goed wat ik moet zeggen tegen de man wiens pseudoniem me als tiener al fascineerde, wiens spannende Publiek geheim me meer nog dan Hersenschimmen de literaire wereld in zoog en wiens poëzie spijkers op mijn koppen slaat. Ik voel me een bakvis, en zeg dat het nogal rustig is aan zijn signeertafeltje. Hij haalt zijn schouders op en doet met me mee aan het gesprekje. Als hij me mijn Hersenschimmen, nu met krabbel, teruggeeft wens ik hem nog een fijne avond. Ik probeer het niet als het cliché te laten klinken.’ Wat lees ik eigenlijk, in zijn krabbel?


4.
‘Ik ben de enige overlevende in mijn taal.’ Uit Hersenschimmen. Vorige week op reis herlezen.

5.
‘Hoe ouder ik word, hoe minder ik geloof in het substantiële van herinneringen. Zijn het gevoelens? Zijn het beelden? Ze hebben in ieder geval een uiterst breekbaar karakter. Waarom herinneren we het een, en vergeten we het ander?’ Citaat opgetekend uit het interview in de bibliotheek in Zutphen.

3.10.12

BUNKER


(voor de gemeente Arnhem schreef ik  dit gedicht tijdens de eerste vergadering van de nieuwe cultuurcommissie, die onder voorzitterschap van Hans Esmeijer sprak over de cultuurnota Stroom) 

Omdat het buiten al tijden regende, sloten we ons op in een bunker van bestaande structuren, doelstellingen, formats en subsidies. Zo snel mogelijk maakten we tafels van karton en spaanplaat om onze zekerheden op neer te zetten.

We stelden ons daarna aan elkaar voor, maar omdat het soms ook goed is om elkaar niet te kennen deden we geen moeite de twee Hansen uit elkaar te houden.

Daarna plakten we papier voor de ramen van gewapend glas, zodat we de grote vergezichten niet hoefden te zien, en vulden de lege lijsten aan de muur met zand.

We zakten lekker onderuit op ‘zekerheden van ons allen’, ‘het kan niet zo zijn dat’, ‘kansen en draagvlak creëren’, ‘dat moet je niet aan mij vragen’ en ‘zo kan ik nog wel even doorgaan’.

We leerden dat we soms twee keer moeten drukken om ons doel te bereiken en noemden bedragen zo groot dat we ze nauwelijks voor de poorten van de bunker weg konden slepen.

We praatten gereserveerde kwartieren vol en lieten nota’s door onze handen gaan maar werden ongeduldig van al dit papier, en we dwaalden af naar het zand in de lijsten, even leek het of we iets voelden stromen, en toen de voorzitter vroeg of we het minutenlange filmpje van het jongetje dat een broodje at nog een keer wilden zien, antwoordden we tot onze eigen verbazing met 'ja', en keken we nog een keer, en nog een keer, en nog een keer, naar zijn gelukzalige glimlach.

Laten we nu we onze paraplu’s weer uitklappen afspreken de volgende keer sloophamers en aanstekers mee te nemen om de tafels in de fik te steken, de ramen van deze bunker weer om te draaien.