14.9.15

AFTER SUN

Ze rilt als ik haar rode huid insmeer,
vandaag was teveel om te bewaren.

Het huis is koel achter de zonnebril
op het dak, de ondoorzichtige vensters
met uitzicht op morgen.

Ik bewaar zon op zolder, stem de hitte
van de stralen af op onze lijven,
spoel in de badkamer het zweet weg

dat me uitbreekt als ik denk aan
haar naakte dagen buiten deze muren.



16.4.15

VAN DE ARRESTATIE ZIJN NOG OPNAMEN


Eerst dacht ik dat het een grap was, 
vandaag is dat anders. In Nederland
kwam ik er pas achter dat ik 11 was.

We stonden stil. Ik wist dat ik daar 
de rest van mijn leven last van zou hebben. 
In het ziekenhuis weten ze niet 
hoe ze dat moeten verhelpen. 

Hoe kan dat? Hoe groeien planten dan? 
Ze maken niet dezelfde rekensom.
Een stuk van mijn jeugd is weggenomen.


readymade interview Robert Vuijsje met Kno’Ledge Cesare,
de Volkskrant 3 maart 2015


3.2.15

UITERWAARDEN

Er huist een stad in mij, waar ik torens 
met molens in een rechte lijn zie staan, 
de cirkel rond maak door de boog 
van de brug te volgen, een beeld 

boetseer van wolken die grond raken.
Door sloten tijd, over wallen van rust, 
langs prikkeldraad van zekerheden 
probeerde ik die plaats te leren kennen.

Ik heb de stad gezien, maar als door een 
beslagen ruit. Buiten sta ik nu nog even 
in schemering, jij schrijft binnen onder

een lamp en ziet ons (ik snap het niet) 
tegen de regen verschijnen: er staat 
een huis in mij, er huist een stad in jou.


Bij mijn afscheid als stadsdichter, opgedragen aan mijn opvolger Anna Wiersma

5.1.15

ZELFPORTRET ALS 2014

Ik ben topklok die de tijd iedere tien voor tien wegtikt,
te horen tot in buitenwijken, ik ben de bel bovenin de Broederenkerk.

Ik ben de prullenbak met daarin het project waar partijen twee jaar over praatten,
ik ben de droom van bestuurders die vloekte met het pluche,
ik ben de samenballing van alle kleuren in het stempotlood,
ik ben de stroom die 100 dagen voorkwam dat de stuurloze stad afdreef.

Ik ben een getal: 855, schrikbeeld van moeders en vaders met dochters,
ik ben een vader, ik ben een moeder, ik ben een dochter,
ik ben het lied in hun hart over hun brandende stad,
ik ben hun nieuwe stad waar ze later over zullen zingen.

Ik ben de winkelier die wacht op een klant, de grond die wacht op een wijk,
ik ben de leegte in het huis dat wacht op een lijf,
ik ben de warmte in een woning in De Teuge
die zich als vertrouwen langzaam verspreidt.

Ik ben de machinist die zichzelf als archeoloog opgraaft bij het station,
ik ben de tunnel die zich 400 jaar geleden sloot boven een boot,
ik ben de houten boot die je naar een andere tijd brengt,
ik ben het melkmeisje in de veerboot op de IJssel dat
pas als er een tunnel gegraven wordt de overkant haalt.

Ik ben de overkant waar je al tijden naar uit kijkt,
ik ben degene die vertrekt, maar er is iemand die mij opvolgt.

Ik ben mijn opvolger, ik ben het nieuwe jaar.


Voor de nieuwjaarontmoeting gemeente Zutphen 2015